farmers-slang

farmers-slangIk ben opgegroeid op het platteland tussen de maisvelden, de strontkarren en de koeien.
Zoals in elk cultuurtje, spreekt men elkaar aan met de voornaam en is de achternaam overbodig.
Je hebt het over Cor, Marietje, Gerrit, Henny en Gerrie, en iedereen weet over wie je het hebt.
Ook ontwikkel je op het platteland speciale vaardigheden. Zo kan ik ver van te voren zien en voelen of het gaat regenen.
Ik kan aan de lucht ruiken of het een kapot varken (dood varken), kipkadaver of championmest is.
En je gaat zo praten. Je neemt het accent over en het taalgebruik. Ik bedoel daarmee bijvoorbeeld peperkoek (ontbijtkoek), piepers (aardappels) en kiepen (kippen).
Zoals een stadskind de streetslang overneemt, heb ik de farmersslang overgenomen.
Toen ik 18 werd, ben ik letterlijk naar de stad gevlucht. Ik werd gek van de bekrompenheid, lompheid en het boerse. Voor het eerst had ik het gevoel de lucht te ademen om te leven.
Als ik dan toch een keer bij mijn ouders ben, is het alsof ik in een tijdmachine gestapt ben en terug ga in de tijd. Als ik de veranderingen zie in het dorp is het alsof de tijd heeft stilgestaan, maar toch ook weer niet. Heel onwerkelijk.
Maar ondanks ik inmiddels redelijk verstadst ben, heb ik het ‘thuis’ nog steeds over peperkoek, piepers en kiepen.